Een voor allen en allen voor de krakersvrouw!!

Inleiding
Eind oktober werd het onrustig aan de Amsterdamse Keizersgracht. Het gebouw de Groote Keyser dat al sinds het einde van 1978 was gekraakt door een groep krakers, was verkocht aan een projectontwikkelaar. Naar aanleiding van deze verkoop sprak de rechter het vonnis uit dat de Groote Keyser moest worden ontruimd. Dit schoot de krakers in het verkeerde keelgat. Ze maakten zich al langere tijd boos over de woningnood die Amsterdam teisterde en waren er dan ook fel op tegen dat een projectontwikkelaar de Groote Keyser zou veranderen in kantoorpanden of appartementen, waarvan er in Amsterdam al vele leeg stonden.

De laatste jaren was er namelijk sprake van veel leegstand in Amsterdam. Met name kantoorpanden en luxere appartementen waren de voorzieningen waar de vraag naar was afgenomen. Hoewel deze panden leegstonden was er toch sprake van een grote woningnood. In heel Nederland was de vraag naar woningen enorm gestegen en ook in Amsterdam was dit duidelijk zichtbaar. Jonge, pas getrouwde stellen en studenten konden bijna geen woning vinden. De luxere appartementen waren door de hoge kosten niet voor hen weggelegd en van goedkopere woningen waren er niet genoeg.

Het feit dat er veel panden in Amsterdam leegstonden, terwijl er zoveel mensen geen woning konden vinden, zorgden voor onrust onder een groep woningzoekende aan het eind van de jaren zestig. Zij kenmerkten zich doordat ze uit verschillende lagen van de bevolking afkomstig waren en allemaal nog op zoek waren naar een baan. Deze zogenoemde ‘krakers’ lieten zich niet op straat staan en begonnen in de lege panden te trekken. Dit ‘kraken’ werd een effectief middel om aandacht te trekken van de media en een gevreesde vorm van actie voor de gemeente. Hoewel de autoriteiten in het begin geprobeerd hadden de confrontatie met de krakers te vermijden, waren zij uiteindelijk gedwongen om toch met zwaar politiegeschut in te grijpen.

Confrontatie krakers en politie in de Constantijn Huygensstraat. Bron: E. Duivenoorden, Een voet tussen de deur. Geschiedenis van de Kraakbeweging 1964-1999.

De confrontatie tussen krakers en de autoriteit in Amsterdam was vaak landelijk voorpaginanieuws. De gemeente had haar handen vol aan de beweging die niet van plan was zich gemakkelijk uit de gekraakte huizen te laten zetten en ook de projectontwikkelaars verafschuwden de krakers. Maar hoe zagen deze krakers zichzelf en keken zij naar elkaar? Waren er bijvoorbeeld verschillende tussen mannelijke en vrouwelijke krakers? Om dit te onderzoeken zal er een analyse worden gemaakt van een kraakkrant van de krakers zelf. Het betreft Kraakkrant De Groote Keyser gaat door. De krant, die rond de kraak van de Groote Keyser werd uitgegeven bevat verschillende artikelen die een inzicht kunnen geven over hoe de krakers dachten. Hoewel de krant niet veel aandacht besteed aan de Groote Keyser zelf, laat deze wel goed zien in wat voor sfeer de ontruiming plaatsvond.

In het eerste hoofdstuk zal worden besproken wie de schrijvers zijn, wat zij deden en waarover zij schreven. Vervolgens zal er in het tweede hoofdstuk worden behandeld hoe de krakers naar ‘buitenstanders’ keken en naar hoe de verhoudingen tussen mannelijke en vrouwelijke krakers was, om zo te kunnen concluderen of zij verschillen zagen.

1.Kraakkrant: De Groote Keyser en haar redactie
Vanaf het jaar 1975 staken individuele krakers de koppen bijeen om samen de ontruiming van woningen aan de Nieuwmarktbuurt te voorkomen. Vanaf toen was er geen sprake meer van onafhankelijke krakers zoals voorheen, maar van een kraakbeweging die samen acties organiseerden. Deze kraakbeweging die voorheen nog individueel opereerde, ging zich al snel gedragen als een organisatie. Zij organiseerden bijeenkomsten om hun plannen te beramen en gaven onderling ook kranten uit om elkaar op de hoogte te stellen. Hoewel zij ook onschuldige acties uitvoerden, zoals het bedenken van alternatieve plannen voor projecten van ontwikkelaars en het opstellen van bezwaarschriften, werden hun acties gewelddadiger. Het werd zelfs zo erg dat de gemeente de Groote Keyser niet durfde te ontruimen uit angst voor dodelijke slachtoffers.

Kraakkrant: de Groote Keyser laat deze situatie en dreiging rondom de ontruiming van de Groote Keyser goed zien. De krant die in december 1979 verscheen was een extra editie. Met grote letters staat er op de voorkant ‘De Groote Keyser gaat door’ geschreven. Letterlijk geschreven, want de krant is nog een kladversie van wat het uiteindelijk moest worden. Dit is te zien aan de vele spelfouten die in de tekst zijn onderstreept, de deels geschreven en deels getypte artikelen en de voorkant die nog met potlood is getekend. Wat meteen opvalt is de oproep die de schrijvers van het tijdschrift op de voorkant van het tijdschrift hebben geplaatst: ‘Verder praten over de Keyser op donderdagavond 14 dec. Om ½ 9 in de huiskamer’. Hieruit blijkt allereerst dat de extra editie is uitgegeven vóór veertien december. Verder gaan de schrijvers van de krant ervan uit dat de lezers weten wat ‘de huiskamer’ is, omdat zij hier verder geen uitleg of beschrijving bij geven.

Voorpagina Kraakkrant: De Groote Keyser gaat door. Bron: IISG

De Amsterdamse kraker wilde vaak anoniem blijven. Zelden werd er een naam vermeld en als er al een naam aanwezig was, was dit meestal alleen de voornaam. Dit was van belang om uit handen van de politie te blijven. Deze anonimiteit is ook goed terug te zien in de kraakkrant. Het is aannemelijk dat de kraakkrant meerdere schrijvers heeft. Hoewel er niet expliciet een redactie wordt voorgesteld, wordt er wel telkens gesproken in de we-vorm. Ook worden er onder de artikelen in het tijdschrift alleen voornamen genoemd. De redactie lijkt de bestaan uit drie mannen en één vrouw. De schrijvers zijn Leo, Joost, Wijnand en Jolanda. De meeste stukken zijn al getypt met een typemachine. Opvallend is dat alleen de stukken die Jolanda heeft geschreven nog in geschreven vorm zijn opgenomen in deze versie van het tijdschrift. Uit het handschrift van Jolanda en het handschrift van de persoon die het tijdschrift heeft verbeterd, is op te maken dat Jolanda niet de persoon is die het tijdschrift heeft nagelezen.

Dat de redactie de stukken nog aan het nalezen was, wijst erop dat de kraakkrant nog niet was uitgegeven. Voor een deel van de artikelen was al een typmachine gebruikt, maar door de spelfouten moesten deze waarschijnlijk weer opnieuw. Kanttekeningen als ‘naam en telefoon van je avokaat komt nog. (heb ik met mijn stomme kop thuis laten liggen, terwijl ik nu in het stencilhok zit)’ wijzen erop dat er ook nog dingen misten die uiteindelijk misschien wel aan het tijdschrift zijn toegevoegd. De schrijvers lijken zich alleen te richten tot de krakers die al bij de beweging hoorden. Zij gebruiken termen als ‘de huiskamer’, ‘de keuken’ en ‘mensen van ons’ die erop duiden dat de lezer wist over wat voor locaties er werd gesproken en wie ‘ons’ was. Zij schrijven vrij toegankelijk en proberen vooral te informeren en activeren. Waar en met welke middelen de bron uiteindelijk gedrukt is, is niet op te maken uit de bron. Er wordt niet gesproken over een drukkerij of dergelijke.

De artikelen die geschreven zijn door de redactie leggen veelal de nadruk op hoe de schrijvers zich voelden in tijden dat zij werden opgepakt. Zij leggen uit hoe zij met deze gevoelens omgingen en hoe hardhandig er met hen werd omgegaan. Zij benadrukten hierbij dat de kraker zich op geen enkele manier moest laten kleineren door de politie. De redactie voegden hieraan toe hoe de kraker het beste met zijn gevoelens kon omgaan. Alle artikelen wijzen op ervaring van de schrijvers zelf die zij in deze krant uit de eerste hand hebben opgeschreven. Verder werd er ook uitgelegd wat een kraker stond te wachten wanneer deze werd opgepakt en naar de gevangenis werd gebracht. De schrijvers lijken de kraker te willen voorbereiden voor de komende ontruiming, hoewel zij dit niet expliciet benoemen. Uit het feit dat de redactie al praat over oppakken, politie, verhoringen en gevangenissen, lijken zij ervan uit te gaan dat het een grote confrontatie met de politie zou gaan worden.

Toch is deze uitleg van tactiek voor komende acties niet het voornaamste doel waarom de schrijvers deze extra editie hebben geschreven. Naar eigen zeggen wil de redactie een schaamtevolle achterstand inhalen. Zij vinden het verschrikkelijk dat zij nu pas een kraakkrant uitgeven terwijl de Groote Keyser allang ontruimd had kunnen worden. Zij willen met deze krant duidelijkheid creëren, waardoor de kraker en de krakersbeweging sterker zouden staan. Met deze visie is de krant duidelijk van de kraker, voor de kraker.

2.Vrouwen en de vijand
Het is duidelijk dat de krakers die deze krant hebben geschreven zich om elkaar bekommerden. Zij waarschuwden elkaar en gaven elkaar tips. Door zo te schrijven lijkt het alsof de schrijvers een gezamenlijke vijand probeerden te scheppen. De houding van de krakers naar buiten toe is dan ook erg opvallend. De schrijvers schreven heel negatief over iedereen die meehielp met de ontruimingen van panden. Politieagenten zouden op hun smoel geslagen moeten worden en ook projectontwikkelaars werden als tegenstander gezien. Ook het OGEM, dat veel panden in bezit had in Amsterdam was bij de redactie niet geliefd. Hierover werd vooral geschreven in het stuk waarin wordt uitgelegd waarom er volgens de krakers iets tegen de ontruimingen moest worden gedaan. Opmerkelijk is hierbij is de afsluitende lijst met nuttige adressen en telefoonnummers. Alle mensen die in het artikel negatief zijn afgeschilderd zoals de projectontwikkelaar en een OGEM-jurist staan in deze lijst vermeldt. Dat de schrijver deze telefoonnummers en adressen ‘nuttig’ vond, is opvallend. Blijkbaar was het voor de schrijvers van de krant niet nodig om toe te lichten waarom dit nuttig was en wie de personen waren.

De houding van de redactie naar buiten toe is niet alleen hatelijk maar ook wantrouwend. Al in het begin van de krant wordt er gewezen op het feit dat de kraker oplettend moet zijn. Er wordt beweerd dat een zogenoemde Paul van Wissen corrupt was. Hij zou een deal hebben gesloten met het OGEM. Van Wissen zou er geld voor hebben gekregen om namen van krakers door te geven. Krakers werden in de krant opgeroepen voorzichtig te zijn met informatie die zij kregen op bijeenkomsten. Zij moesten dit niet tegen mensen vertellen die zij niet vertrouwden. Ook blijkt de achterdocht uit een artikel van Joost. Hierin stelt hij zichzelf de vraag of het met al die infiltranten wel verstandig is om zo’n kraakkrant als deze uit te geven. Met ‘een kraakkrant als deze’ duidt hij op de plannen van de krakers die in de krant worden vermeld. Hij vond echter dat deze krant wel kon worden uitgegeven als het voor de lezer maar onduidelijk was wat de krakers verwachtten.

Het is duidelijk dat de redactie een vijandelijke en afstandelijke visie leek te hebben richting de geschetste vijand, zoals de OGEM, de gemeente, justitie en projectontwikkelaars. Toch lijken er binnen de kraakbeweging ook verschillen te zijn. Hoewel er in verschillende artikelen wordt geschreven over krakers als groep, zonder een hiërarchie binnen deze krakersbeweging, lijken krakers wel verschillen te zien tussen mannelijke en vrouwelijke krakers. Dit is te zien in twee artikelen die in de kraakkrant zijn geschreven.

Allereerst laat de mannelijke kraker, Wijnand zien wat het verschil was tussen hoe een mannelijke en hoe een vrouwelijke kraker werd behandeld. Hij begint met weer te geven wat er gebeurde met een kraker die werd opgepakt. Hij schetst de situatie van een gewelddadige opstand en vervolgens de politie die ‘de kraker’ meeneemt naar het politiebureau. Het onderscheid dat hij maakt tussen mannen en vrouwen maakt hij pas merkbaar bij het fouilleren. Een vrouw zou door de politie niet alleen harder aangepakt worden dan mannen, maar ook alleen in een cel belanden, grover gefouilleerd worden en zelfs langer worden verhoord. Dit zou volgens Wijnand komen omdat vrouwen worden gezien als zwakker en makkelijker te intimideren. Jongens die heel zenuwachtig reageren tegen de politie, en dus zwak en vrouwelijk overkomen, zouden ook op dezelfde manier worden behandeld. Wel voegt Wijnand hieraan toe dat hij het met deze andere benadering niet eens is.

Groep krakers die voornamelijk uit vrouwen bestaat. Bron: E. Duivenoorden, Een voet tussen de deur. Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999.

Kraakster Jolanda schrijft een artikel over haar eigen ervaring als kraakster en merkt meteen een opmerkelijk verschil op. Ze schrijft dat hoewel vrouwen bij een kraak of een ontruiming vaak in de minderheid waren, zij toch vaker werden opgepakt. Zij verklaart dit zelf door het feit dat vrouwen makkelijker gepest kunnen worden. Als voorbeeld benoemd Jolanda haar medegevangene die geen anticonceptiestrip had meegenomen. Deze mocht zij van de mannelijke agent niet laten brengen of halen. Mannelijke agenten zouden volgens Jolanda niet snappen hoe belangrijk deze pil voor vrouwen was. Ook mochten vrouwen niet naar een normaal toilet en werden zij door de mannelijke agenten bespioneerd.

Hoewel de voorgaande beweringen vooral gaan over de verschillende benaderingen van mannen en vrouwen, merkt Jolanda ook verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke krakers op. Zo zouden vrouwen gevoeliger zijn dan mannen en hierdoor dus ook angstiger bij acties. Ze benadrukt hierbij wel dat dit niet inhield dat vrouwen niet mee moesten doen aan acties. Ze adviseert vrouwelijke krakers om andere vrouwelijke krakers op te zoeken. Deze kraaksters zouden veel steun bij elkaar kunnen vinden. Jolanda voegt hieraan toe dat het meedoen van mannen én vrouwen een punt is dat mee kan worden genomen naar de krakersvergadering.

Hoewel de bron heel duidelijk laat zien hoe de schrijvers dachten over het kraken en hun gevoelens heel uitgebreid op papier hebben gezet, is deze bron nog in geen enkel onderzoek gebruikt. Hier kunnen een aantal redenen voor worden bedacht. Allereerst betreft het hier een kladversie van één krant. Dit betekent dat de kraakkrant nog niet af was. De krant laat op enkele spelfoutjes na, weinig interessante kanttekeningen zien. Daarbij betreft het hier maar één kraakkrant. Dit geeft geen representatief beeld van de krakers die deze krant hebben geschreven. Hoewel het duidelijk lijkt dat de schrijvers krakers zijn, moet deze bron bekeken worden zonder meteen kennis hierop los te laten, zoals literatuurcritica Catherine Belsey beweerd. Daarom zijn zelfs de schrijvers van de krant onbekend en kan de krant daarom nog niet zijn gebruikt voor onderzoek. Ook is het  nog steeds de vraag of de kraakkrant daadwerkelijk is uitgegeven onder de krakers.

Conclusie
De kraakkrant van december 1979 laat zien dat krakers onderling het beste met elkaar voor leken te hebben. Ze gaven elkaar tips, spoorden elkaar aan om acties te ondernemen en indien dit escaleerde gaf deze krant instructies wat de kraker dan het beste kon doen. Hoewel de redactie beweerden dat de kraker volledig voor zichzelf moest weten of deze mee ging doen aan een gewelddadige actie, probeerde zij de lezer wel te activeren om mee te doen. Zij probeerden krakers te informeren met ervaringen die leden van de redactie zelf hadden opgedaan bij andere kraakacties en riepen de lezers op om naar de geplande vergadering te komen.

Allereerst kan worden opgemerkt dat de krakers die de krant geschreven hebben los gezien van onderlinge verschillen het over één ding eens waren: pas op voor buitenstaanders. Zij attenderen constant op de ‘slechte’ mensen die bijdragen aan de ontruimingen en maken zelf adressen en telefoonnummers van deze mensen in hun krant bekend. Aan deze buitenstaanders worden ook infiltranten toegevoegd. Nadrukkelijk wordt geschreven om op te passen met geheime krakersinformatie en niet elke kraker meteen te vertrouwen. De kraker kan zich namelijk anders voordoen dan wie zij werkelijk zijn.

Daarnaast merken de schrijvers van de krant ook verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke krakers op. Hoewel zij over het algemeen op dezelfde manier werden behandeld binnen de krakersbeweging, werden vrouwen anders benaderd door de politie. Dit valt zowel Wijnand als Jolanda van de redactie op. Wijnand voegt er wel aan toe dat hij het er niet mee eens is en lijkt het hiermee op te nemen voor de kraaksters. Echter kan er op basis van één artikel weinig worden gezegd over hoe mannelijke krakers naar vrouwen kijken. Jolanda daarentegen ziet wel aanzienlijk verschil tussen de mannelijke en de vrouwelijke kraker. Zij zouden gevoeliger zijn en daardoor zwakker. Ook zijn zij van nature al minder. Wel zoekt zij hier een oplossing voor. Vrouwen zouden samen moeten werken waardoor zij samen sterker zijn.

Echter kunnen er op basis van deze bron alleen weinig conclusies worden getrokken. De krant is op zichzelf niet representatief genoeg om te spreken voor de krakers als geheel. Hiervoor zou er grondig archiefonderzoek moeten worden gedaan, zoals de historici Simon Gunn en Lucy Faire aanraden. Door te kijken naar meerdere kraakkranten in deze archieven kan er beter worden gekeken naar hoe er aan de kraker werd geschreven. Ook is het interessant hierbij de verhoudingen tussen mannelijke en vrouwelijke te betrekken. In deze kraakkrant is het opmerkelijk dat er zelfs aparte artikelen aan gewijd zijn en titels luidden als ‘vrouwen en aksies’. Het is moeilijk te geloven dat ondanks de hervormingsgezindheid en de opkomst van vrouwenbewegingen in Nederland, er bij de krakers sprake was van volledige hiërarchie. Dat deze volledige hiërarchie er nog niet was, is terug te zien in de kraakkrant, maar kan uitgebreider onderzocht worden door meerdere kraakkranten te bestuderen om zo met meerdere inzichten een betere conclusie te kunnen trekken.

De Kraakverzetsmanifestatie van de Groote Keijser.

Inleiding

De jaren zeventig en tachtig in Nederland waren onrustige periodes die vooral werden gekenmerkt door de meningsverschillen tussen oude en nieuwe generaties. De meeste mensen zien de jaren zeventig als een tijd van crisis, ontevredenheid en radicalisme. Volgens historicus Duco Hellema roepen de jaren zeventig verschillende beelden op. Zo is er het beeld van de dominantie van de linkse partijen, het neoliberalisme en het ‘Ik-tijdperk’. Ook spreekt Hellema van ‘De lange jaren zeventig’, hiermee wordt bedoeld dat er sprake is van een langere periode van verandering dan alleen de tien jaar van de jaren zeventig. Volgens Hellema begonnen deze lange jaren zeventig in 1966 en eindigden begin jaren tachtig.

Woningnood en stadsvernieuwing zijn kernwoorden die de jaren zeventig en tachtig beschrijven. In de binnenstad van Amsterdam werden er verschillende panden ontruimd om daarna voor onbepaalde tijd leeg te staan. Hier maakten de inwoners, vooral de jongeren, zich kwaad over. Ook werden er woningen gesloopt om plaats te maken voor kantoorgebouwen. De woningnood was de reden dat er een kraakbeweging ontstond in Amsterdam. De krakers gingen indirect invloed uitoefenen op de overheid door middel van de media en de publieke opinie. In het midden van de jaren zeventig maakte de kraakbeweging een grote groei door. Daarbij kende de beweging een hoogtepunt in 1980 door de belangstelling van de pers rondom de protesten. De kraakbeweging in Amsterdam had een aantal belangrijke panden weten te kraken waardoor de beweging nog meer aandacht trok. Het bekendste voorbeeld hiervan waren de panden van de Groote Keijser.

De Groote Keijser was één van de grootste bedrijfspanden van Amsterdam en werd in 1978 gekraakt. De reden voor het kraken was de aandacht die de krakers ermee zou krijgen. De oorspronkelijke krakers van de Groote Keijser waren niet goed georganiseerd en het leven in het pand was chaotisch. Deze houding veranderde echter toen er in 1979 een ontruimingsvonnis voor de Groote Keijser werd uitgeroepen. Veel krakers vertrokken na de uitspraak van het vonnis en van de vijftig krakers bleven er nog tien over. De leiding van de Groote Keijser werd overgenomen door de krakers van de Staatsliedenbuurt met als gevolg dat de Groote Keijser een goed georganiseerd middelpunt van de kraakbeweging werd. De nieuwe leiding van de Groote Keijser zag het pand als symbool voor alles wat de kraakbeweging dwars zat. Namelijk de woningnood, speculatie en het slechte overheidsbeleid. Vanaf 1980 was er een constante spanning in Amsterdam omdat er elk moment gevechten konden uitbreken tussen krakers en de politie.

Deze bronanalyse zal een selectie bronnen over het evenement ‘De kraakverzetsmanifestatie’ uit 1980 georganiseerd door de Groote Keijser nader bekijken. De bronnen zijn afkomstig van het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis. De focus zal liggen op een persbericht en een pamflet van de ‘Kraakverzetsmanifestatie’ en deze zullen worden ondersteund door de inventaris van het evenement. De ondersteunende bron wordt enkel gebruikt om informatie te geven of bewijzen te leveren. Ik heb deze bronnen gekozen omdat ze laten zien dat de kraakbeweging er baat bij had dat er correcte informatie over de beweging naar buiten werd gebracht. Het interessante hieraan is dat veel mensen de krakers zagen en zien als een zooitje ongeregeld dat vaak geassocieerd werd met geweld. Door deze bronnen komt naar voren dat hun belangrijkste wapen de publieke opinie was

Bron: ‘Een voet tussen de deur’, Eric Duivenvoorden.

 

 

 Paragraaf 1: Het Persbericht

Eerst kijken we naar het persbericht genaamd ‘Uitnodiging Pers voor Kraakverzetsmanifestatie in de Groote Keijser’. Het bericht bevat informatie over het evenement ‘De Kraakverzetsmanifestatie’. Ook werd het evenement gebruikt om aandacht te besteden aan de opening van het informatiecentrum in de Groote Keijser. In de bron wordt er praktische informatie gegeven over de activiteiten van de openingsdag en over het informatiecentrum.

Om te beginnen is de methode waarmee de tekst benaderd wordt van belang. Literatuurcritica Catherine Belsey heeft het volgende te zeggen over tekstuele analyse: ‘Textual analysis as a research method involves a close encounter with the work itself, an examination of details without bringing to them more presuppositions than we can help.’ Hiermee bedoelt Belsey dat we de bron zo gedetailleerd mogelijk moeten bekijken zonder al onze kennis er meteen op los te laten. Het onderwerp van de bron is de kraakverzetsmanifestatie in de Groote Keijser en het persbericht beschrijft wat er te doen was tijdens het evenement. De auteurs gaan niet gedetailleerd in op wat er precies te zien valt maar beschrijven het beknopt. Daarbij is de bron onderverdeeld in de kopjes ‘Informatiecentrum’ en ‘Openingsdag’. De schrijfstijl van de bron is formeel omdat het gericht was aan de pers. Toch staan er veel typfouten in de tekst. Vermoedelijk is dit pamflet niet de definitieve versie omdat er belangrijke typfouten worden gemaakt. Een voorbeeld hiervan is ‘De Groote Keijser Blijft Overlal’. Dit is hét motto van de Groote Keijser en dat moet natuurlijk wel goed getypt worden om de boodschap over te brengen.

Verder kijken we naar de totstandkoming van de bron. Het pamflet was geschreven door een aantal krakers van de Groote Keijser. Er werden bewust geen namen genoemd omdat de krakers anoniem wilden blijven. Volgens socioloog Eric Duivenvoorden was de anonimiteit van groot belang omdat dit voordelig kon uitpakken als ze in contact kwamen met de overheid. De informatie in het pamflet komt dus uit de eerste hand. De maatschappelijke positie van de krakers hield in dat het jongeren waren uit verschillende klassen van de samenleving die nog niet behoorden tot de arbeidsmarkt en opzoek waren naar een woning. De positie van de informanten is dat ze dichtbij de inhoud stonden en vonden dat de daden van de krakers goed en nodig waren. Daarentegen is er in de bron geen sprake van een negatieve gebeurtenis echter willen de krakers wel een correct beeld van de kraker de wereld in sturen. Omdat de auteurs bij de krakers hoorden konden ze niet objectief naar zichzelf kijken. Verder staat er niet wanneer het pamflet geschreven was, het moet echter voor 20 september zijn geweest omdat op die datum de manifestatie plaatsvond. Er staat niet expliciet in waar het persbericht geproduceerd is maar vermoedelijk werd de bron in de Groote Keijser gemaakt. Daarbij is het pamflet gemaakt met een typmachine en is daarna gedupliceerd in een drukkerij.

Het beoogde publiek was dus de pers van Nederland. Volgens historica Virginie Mamadouh was de pers van groot belang voor de krakers omdat zij een sociale stedelijk beweging waren. Sociale stedelijke bewegingen wilden indirecte invloed uitoefenen op de overheid. Dit hield in dat de krakers de overheid wilden bereiken via de media en de publieke opinie. De kraakbeweging had grote acties en evenementen nodig om belangstelling te krijgen. Hier komt het belang van het persbericht naar voren, namelijk zo veel mogelijk pers regelen bij het evenement zodat de kans groter werd dat de overheid hoorde over de manifestatie. ‘Als uitgangspunt dient de veronderstelling dat provo’s, kabouters en krakers zijn collectieve mobilisaties die zich bewust richtten op het veranderen van hun stedelijke omgeving’, aldus Mamadouh. Met de manifestatie wilden de krakers dus aandacht krijgen voor hun standpunten over woningnood en het falende beleid van de overheid. Het andere belang van het bericht was informatie geven over het evenement. De verzetsmanifestatie was voor een groot deel bedoeld om juiste informatie te geven over kraken.

Verder is de bron niet in andere contexten gebruikt. Ook hebben andere auteurs geen gebruik gemaakt van het persbericht voor de kraakverzetsmanifestatie. Dit is waarschijnlijk het geval omdat dit bericht niet representatief is voor de hele kraakgemeenschap. Kraakgroepen vielen niet onder een centraal beleid maar waren juist onafhankelijke groepen. Daarbij voegt deze bron toe aan de bestaande historische kennis het feit dat de kraakbeweging niet zonder de pers kon. Door de pers werden de grote en kleine gebeurtenissen vastgelegd en verspreid door het land. Hoe vaker acties van de kraakbeweging op de voorpagina’s van kranten stonden, hoe minder de overheid om de krakers heen kon. Ten tweede voegt de bron toe dat het opmerkelijk is dat in een tijd waar de kraakbeweging werd geassocieerd met chaos en geweld, dit evenement juist een rustige informatiedag met culturele activiteiten aanbood. Daarbij was de hele dag tot in de puntjes uitgewerkt en georganiseerd. ‘Toch waren het juist de kraakrellen die ervoor zorgden dat de centrale overheid op grote schaal fondsen ter beschikking stelde voor de renovatie en vernieuwing van huizen’, aldus historicus Bart van der Steen. Het opvallende hieraan is dat de rustige manier dus geen resultaat leverde maar wanneer er een rel uitbrak de overheid concessies wilde maken. Dit typeert de overheid van Nederland in de jaren zeventig en tachtig.

Het Persbericht. Bron: IISG

Paragraaf 2: Het Pamflet

De tweede bron van deze analyse is het pamflet ‘Kraakverzetsmanifestatie Groote Keijser’. Zoals de naam al weggeeft gaat ook deze bron over de kraakverzetsmanifestatie. Net als het persbericht bevat dit pamflet praktische informatie over het evenement. Daarentegen bevat het pamflet gedetailleerde informatie over de activiteiten van de manifestatie. Dit heeft te maken met het beoogde publiek.

Wat gelijk opvalt aan het pamflet in vergelijking met het persbericht is dat er gebruik wordt gemaakt van andere tussenkopjes, namelijk ‘Opzet’, ‘Programma’ en ‘Financiën’. Het kopje ‘Opzet’ biedt informatie over hoe de krakers op het idee van de manifestatie zijn gekomen. ‘Er bestaat belangstelling voor gedegen informatie over kraken’, aldus het pamflet. Verder wordt onder het kopje ‘Programma’ een beschrijving gegeven van alles wat er te doen en te zien was tijdens het evenement. Bij het kopje ‘Financiën’ wordt er een oproep gedaan om de kraakbeweging financieel te steunen. Het persbericht bevat andere koppen omdat het voor een ander publiek bedoeld was. Inwoners hebben meer baat bij de activiteiten dan de pers. Ten tweede valt op dat er weinig tot geen typfouten in het documenten zitten. Dit pamflet is dus waarschijnlijk de definitieve versie geweest. De schrijfstijl is informeel en toegankelijk omdat het voor een breed publiek geschreven is.

Verder was het pamflet ondertekend door de organisatoren van de kraakverzetsmanifestatie. De organisatie bestond uit de krakers van de Groote Keijser. De informatie komt dus uit de eerste hand omdat deze krakers het evenement hebben opgezet. Het pamflet en het persbericht hebben dus dezelfde auteurs. Dit is te zien in de inventaris van het Kraakverzetsmanifestatie. In de inventaris staat dat één van de bekendste Nederlandse krakers, Theo van Griessen, de leiding had over het contact met de pers. Ook deze krakers staan dicht bij de bron omdat zij het evenement hebben bedacht. Daarbij wordt er ook in het pamflet aandacht besteed aan het feit dat er geen correcte informatie naar buiten is gekomen over de kraakbeweging. Verder is de bron geschreven op 10 september 1980 in de Groote Keijser. Ook het pamflet werd geschreven met een typmachine.

Een belangrijk verschil tussen het persbericht en het pamflet is het beoogde publiek. Het pamflet richtte de aandacht op de inwoners van Amsterdam. Daarbij zou het gunstig zijn als het pamflet ook elders in Nederland terecht zou komen. Maar kraakbewegingen waren vooral actief in de grote steden dus de steun van de bevolking van Amsterdam zou al enorm helpen. Ook Virginie Mamadouh vindt dat de bevolking van groot belang was voor de kraakbeweging. Zoals al eerder gezegd zijn de krakers een sociale stedelijke beweging die indirecte invloed op de overheid wilden uitoefenen. Daarbij zegt Mamadouh dat de sociale stedelijke bewegingen ook opinievormers zijn. ‘Zij richtten zich niet alleen op concrete beleidsveranderingen maar vooral op mentaliteitsveranderingen’, aldus Mamadouh. Deze mentaliteitsveranderingen wilden de krakers bereiken via buitenparlementaire acties. Hier komen de belangen van het pamflet naar voren. De krakers wilden zo veel mogelijk mensen naar de manifestatie trekken om zo steun te werven. Op de manifestatie was het doel om mensen te informeren over de kraakbeweging en een plaats te bieden voor actiegroepen om contact met elkaar te leggen. Mamadouh benadrukt dat de netwerken en externe contacten erg belangrijk waren voor de kraakbeweging. Ook hadden de krakers van Amsterdam contact met buitenlandse kraakbewegingen. De buitenlandse krakers werden ook opgenomen in het programma van de verzetsmanifestatie. Met deze contacten konden de krakers toegang krijgen tot bepaalde hulpbronnen zoals ruimte voor vergaderingen en financiële middelen. Het laatste doel van het pamflet is het verkrijgen van financiële steun. Wat opvalt is dat de krakers erg open zijn over hun financiële situatie. Je kan namelijk als bezoeker de complete begroting inzien.

Ook deze bron is niet in andere contexten of door andere auteurs gebruikt. Wel voegt het pamflet iets toe aan de bestaande historische kennis over de Nederlandse kraakbeweging. Naar mijn mening laat dit pamflet zien hoe belangrijk netwerken en externe contacten waren. Niet alleen voor financiële middelen maar ook voor de geloofwaardigheid van de kraakbeweging. Bart van der Steen benadrukt het belang van de steun die buitenlandse jongeren elkaar boden. ‘Met de nieuwe jongerenbeweging leek een hele generatie zich af te keren van het Europese welvaartskapitalisme en politiek systeem’, aldus Van der Steen. De jongeren van grote steden zoals Zürich, Amsterdam en Kopenhagen vormden zo één grote bedreiging voor de stedelijke bestuurders. Deze samenwerking was een middel om de belangstelling van de bestuurders te krijgen. Al met al zijn de netwerken en contacten met de kraakbeweging dus van groot belang want samen sta je sterk.

Het pamflet. Bron: IISG

Conclusie 

Al met al kan er geconcludeerd worden dat de Nederlandse kraakbeweging meer was dan een gewelddadig zooitje ongeregeld zoals er veel over ze werd gedacht. Zowel het persbericht als het pamflet bewijzen dat de krakers op een rustige en amusante manier hun verhaal wilden vertellen. De krakers deden erg hun best om zo veel mogelijk mensen naar de kraakverzetsmanifestatie te lokken door allerlei verschillende stands, muziek- en theaterevenementen te organiseren. Hieruit kunnen we concluderen dat het veranderen van de publieke opinie hoog op het prioriteitenlijstje stond van de kraakbeweging.

Verder hebben de twee bronnen verschillen en overeenkomsten. Beide bronnen gaan over de kraakverzetsmanifestatie georganiseerd door de krakers die zich bevonden in het pand van de Groote Keijser. Het verschil zit in het beoogde publiek. Het persbericht was specifiek gericht aan de pers van Nederland. Door zo veel mogelijk pers te regelen zou er een grotere kans zijn dat de overheid de krakers in de media zou zien. Daarentegen was het pamflet juist bedoeld voor de inwoners van Amsterdam. Het verschil in publiek is te zien in de inhoud en de schrijfstijl van de bronnen. Het persbericht bevat vooral praktische informatie en is redelijk formeel geschreven. Daarentegen is het pamflet juist toegankelijk en informeel geschreven omdat het bedoeld was voor een breed publiek. Ook bevat het pamflet een gedetailleerdere beschrijving van de verzetsmanifestatie.

Daarbij hadden de bronnen hetzelfde doel, zowel zo veel mogelijk mensen als pers naar de verzetsmanifestatie lokken om uiteindelijk de aandacht te trekken van de overheid. De publieke opinie veranderen over de Nederlandse kraakbeweging was net zo belangrijk als gezien worden door de overheid. De steun van de bevolking zou er voor kunnen zorgen dat de kraakbeweging serieuzer genomen werd doordat er meer mensen op dezelfde manier dachten over het verheidsbeleid. Tijdens het evenement zouden de krakers hun doelen kunnen waar maken, namelijk correcte informatie bieden over de Nederlandse kraakbeweging en zo de publieke opinie veranderen om ten slotte een einde te maken aan de woningnood en het falende overheidsbeleid.

Ten slotte zou het interessant zijn om grondig archiefwerk te doen zoals historici Simon Gunn en Lucy Faire aanbevelen. Voor een verder onderzoek lijkt het mij interessant om te kijken naar andere gebeurtenissen en evenementen die georganiseerd waren door krakers. Er zou dan gekeken kunnen worden naar verschillende groepen binnen de kraakbeweging maar ook naar de verschillende evenementen van één kraakgroep. Er waren veel onafhankelijke kraakgroepen maar uiteindelijk had iedereen dezelfde vijand, de overheid. Het lijkt mij interessant om te onderzoeken hoe elke groep te werk ging met het organiseren van dergelijke evenementen. De Nederlandse kraakbeweging heeft zich door de jaren heen ontwikkeld op positieve en negatieve manieren. Wat begon als een klein groepje ontevreden jongeren werd al snel een goed georganiseerde machine. Vermoedelijk is dit ook terug te zien in de evenementen door de jaren heen.

Solidariteitsdemonstratie voor de Groote Keijser.
Bron: ‘Een voet tussen de deur’, Eric Duivenvoorden

Koning, Keizer, Admiraal: De Groote Keyser is overal.

https://www.youtube.com/watch?v=rtoMJlpSdng

Hoe De Groote Keyser opereerde vanaf 1978.

Een bronanalyse over de kraakkrant van de gekraakte panden aan de Keizersgracht.

Inleiding

Het is 1 november 1978. Al bijna 2 decennia worden de Amsterdamse straten overgoten door de idealen van de kraakbeweging. Pamfletten plakken aan lantaarnpalen, affiches vliegen door het Westerpark, posters plakken zich vast aan het monument op de Dam en muren worden gekenmerkt door geschilderde kreten zoals ‘Kraken leeft!’. Wegens leegstand voelen vooral jongeren die niet in aanmerking komen voor woningen zich gepasseerd. Deze jongeren komen dan ook in conflict met gemeente. De kraakbeweging heeft de stad al sinds begin jaren ’60 in zijn greep en dit schijnt ook op deze 1 november 1978 het geval. Deze ontwikkeling is interessant om te onderzoeken aangezien er over dit onderwerp een breed scala aan bronnen beschikbaar is en ook de huidige samenleving nog krakersbewegingen kent. Het IISG, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, beschikt over zowel veel tekstuele bronnen als over radio-fragmenten. Aan de hand van deze bronnen corpus doe ik onderzoek naar hoe de Groote Keyser een eigen kraakkrant en piratenzender tot stand kon brengen. Voor dit onderzoek zal ik mij dan ook eigen maken met een radio-fragment als wel met een kort artikel uit de kraakkrant ‘De Groote Keyser is Overal’.

Deze bronanalyse zal opgedeeld worden in twee paragrafen. De eerste paragraaf zal zich ontfermen over de kraakkrant als propagandamiddel. De tweede paragraaf zal specifiek in gaan op een klein artikel in de desbetreffende kraakkrant en deze in verband brengen met een radio-fragment van de VARA. Ook de historische context zal in deze paragraaf belicht worden. Om tot een zo’n uitgebreid mogelijke analyse te komen, is het belangrijk om zoveel mogelijk informatie over de bron te achterhalen. Hierbij kunnen verschillende tactieken worden toegepast zoals die van historicus John Tosh. Volgens Tosh is het uiterst belangrijk de authenticiteit van een bron te bepalen. Dit kan gedaan worden door allereerst externe kritiek toe te passen en te onderzoeken of de datum en tijd van de bron correct zijn. Ook het achterhalen van de auteur is belangrijk bij het bepalen van de authenticiteit van een bron volgens Tosh. Dit is echter lastig bij bronnen omtrent de kraakbeweging omdat vele krakers anoniem wilde blijven. Dit maakt de taak van historici des te moeilijker. Desondanks is het hierdoor niet minder interessant om alsnog onderzoek te doen naar deze ontwikkeling en zo goed mogelijk de bron te analyseren. Ten tweede is er sprake van interne kritiek waarbij het gaat om het interpreteren van de inhoud van de bron. Dit is bij bronnen omtrent de krakersbeweging van groot belang. Wat is het doel van de bron en voor wie is het geschreven.

Het doel van dit paper is om nauwkeurig onderzoek te leren doen naar primaire bronnen en hoe deze bronnen door historici gebruikt kunnen worden voor nader historisch onderzoek. De relevantie van dit onderzoek ligt in het verband met de actualiteit. 10 januari jongstleden is een pand op de hoek van de Utrechtsestraat en de Prinsengracht gekraakt door jongeren, geboren en getogen in Amsterdam. Om deze gebeurtenis objectief en genuanceerd te kunnen beoordelen, zou het van nut kunnen zijn onderzoek te doen naar eerste kraakbewegingen in Amsterdam. Er is tevens sprake van een grote woningnood in Amsterdam en ondanks dat de huidige situatie grote verschillen kent met de situatie in de jaren zestig en zeventig, zijn er ook overeenkomsten zichtbaar. Hierom is het van belang onderzoek te doen naar dit onderwerp en deze bronanalyse zal gevormd worden door de vraag: “Hoe beïnvloed de media een groepering zoals de krakers in de Groote Keyser?”.

 

Paragraaf 1

Vanaf de jaren zestig was er een duidelijk debat zichtbaar tussen bevolking en overheid. Dit was zowel het geval op nationaal als lokaal niveau. Dit werd in de jaren zeventig versterkt door de economische recessie wat maatschappelijke onrust tot gevolg heeft volgens historicus Eric Hobsbawm. Zo ook de bewoners van Amsterdam die de discussie met de Amsterdamse gemeente aangingen. Gesprekken met het college van burgemeester en wethouders werden vaak niet vermeden. Verschillende generaties hebben het kraken doorgezet, als teken van onvrede omtrent de woningnood die Amsterdam in zijn greep hield sinds de Tweede Wereldoorlog. Door de babyboom, de geboortegolf na 1945, werd dit probleem steeds groter. Op 1 november 1978 werd opnieuw een kraak gepleegd. Ditmaal waren het panden op de Keizersgracht die in handen kwamen van de krakers. Het waren huisnummers 242 tot 252 die ingepikt werden door de krakers van de toenmalige beheerder, de Technische Unie, wat uiteindelijk onderdeel werd van de Overzeese Gas en Elektriciteitsmaatschappij: OGEM.

Het kraken van het pand stond als symbool voor een strijd tussen de ontevreden bewoners van Amsterdam, de gemeente en de pand eigenaren. Er was sprake van actieve weerstand en de krakers waren er niet vies van molotovcocktails en rookbommen te gebruiken. ‘Juist dit soort dingen in de twintiger en dertiger jaren heeft geleid tot dictatuur’ aldus burgemeester Wim Polak. Hij was hierdoor genoodzaakt om de ontruimingsdatum voorbij te laten gaan, om zo confrontatie te vermijden. Ondanks deze gematigde houding van de gemeente, waren de krakers erop gebrand meer aanhangers te winnen. Zo werd op 13 januari 1980 de piratenzender ‘Radio de Groote Keyser’ opgericht om de andere kant van het verhaal te verkondigen. De uitzendingen werden in het pand zelf tot stand gebracht en toonden de daadkracht van de krakers. Het was burgemeester Polak die nog geen 3 dagen later een brief schreef aan de krakers met het verzoek tot overleg. De gemeente bleek bereid te zijn de panden aan te kopen, om ze vervolgens over te dragen aan de Amsterdamse woningbouwvereniging.

Desondanks bleef de Groote Keyser ontevreden. Het maatschappelijke probleem, de woningnood te Amsterdam, was niet in één dag opgelost en de Groote Keyser verdween dan ook niet zomaar van het toneel. Een voorbeeld van hun verdere verzet is zichtbaar in de opgerichte Kraakkrant, waarvan nummer 36 volledig werd gewijd aan de conflicten omtrent de Groote Keyser. Zoals vaker het geval is met documentatie van de krakersbeweging, zijn er geen auteurs te achterhalen bij deze krant. Deze anonimiteit was een terugkomend fenomeen binnen de krakersbeweging. Dit maakt de bronnen niettemin minder interessant. Juist die anonimiteit lijkt te zorgen voor een verbroedering waardoor bronnen van de kraakbeweging ook als onderzoeksmateriaal kan dienen voor de vraag naar hoe anonimiteit voor verbintenis zorgt binnen groeperingen.

Ten eerste draagt deze editie van de kraakkrant een opmerkelijke voorpagina waarbij een tekening van een kind zichtbaar is, die in deze tekening in gebrekkig Nederlands schrijft ‘ik vint dat de krakkers gelijk heben.’. Dit toont de sterke betrokkenheid van alle bevolkingslagen. Onderaan de voorpagina is kort de indeling van de kraakkrant zichtbaar, waaruit op te merken is dat de meeste pagina’s zijn gewijd aan de chronologie omtrent de Groote Keyser en aan OGEM. Op de tweede pagina van de kraakkrant is bovenaan een summier stukje tekst te zien, gericht aan alle Amsterdamse mensen. Hierin wordt de situatie rondom de Groote Keyser kort beschreven om vervolgens belangrijke data te noemen met de gebeurtenissen van die dag. De krant bevat onderaan een aantal pagina’s een dialoog tussen politie en krakers. Dit versterkt de beeldvorming van de lezers en geeft kracht aan het verhaal dat de krakers willen vertellen.

Ten tweede is dezekraakkrant editie tevens interessant door haar vele gebruik van afbeeldingen en de selectie die de makers hierbij hebben gekozen. Zo bevat het onder andere een afbeelding van de levensomstandigheden waar de krakers in leven. Dit toont de keerzijde van het krakersbestaan. Zo slapen de krakers op de grond met slechts een deken om hen heen gewikkeld. Volgens Catherine Belsey, toenmalig studente aan Cardiff University, is het belangrijk om een nauwkeurig naar een afbeelding te kijken zonder te veel vooronderstellingen te hebben. Er is tevens een afbeelding te zien waarin mensen staan met bivakmutsen op, wat de anonimiteit toont van de krakersbeweging. Wat ook opvallend is, is dat er regelmatig kaders worden weergeven waarin namen staan van verenigingen en bedrijven die de kraakkrant steunen, waaronder vele studenten en jongeren verenigingen. De krakersbeweging leeft onder deze groep het meest.

Ten slotte kan ook de activerende toon van de kraakkrant niet negeert worden. Er is binnen de krant veel ruimte gewijd aan het informeren over samenwerkende kraakbewegingen, waar mensen zich bij kunnen aansluiten. Zo wordt er geschreven over de samenwerkende groepen Dapperbuurt, waarbij precies te lezen valt waar zij huizen gekraakt hebben en hoe deze groeperingen te bereiken zijn. Er worden telefoonnummers van infolijnen weergeven om mensen aan hen te binden. Ook telefoonnummers van de ‘vijanden’ worden in de krant onthuld, om zo de lezer kans te geven die mensen te bereiken. Woorden als ‘strijd’ en ‘rechtvaardiging’ zijn veelal te zien, wat de heldhaftigheid van de krakers moet aantonen. Alles overwegend is deze primaire bron zowel informerend als activerend. Er is in deze kraakkrant zowel sprake van het presenteren van feiten als wel sprake van propaganda. Ondanks dat de auteur(s) van ‘De Groote Keyser is overal’ onbekend blijven, is het aanzienlijk dat hoger opgeleide krakers zich hierover hebben ontfermd. Dat is zichtbaar door woordkeuze, toon en taalgebruik. Ook de doelgroep is duidelijk: alle Amsterdammers die in 1980 op zoek zijn naar verandering ten opzichte van de woningnood.

Paragraaf 2

Van alle data die benoemd worden in dekraakkrant ‘De Groote Keyser is overal’ beperkt deze bronanalyse zich tot 23 januari 1980. Dezedag behelst een belangrijke gebeurtenis binnen de ontwikkeling van de Groote Keyser. Al een aantal keer dreigden de panden op de Keizersgracht ontruimd te worden, maar deze datum werd meermaals verschoven. Op 23 januari werd er een persverklaring naar buiten gebracht als reactie op de mededeling van burgemeester Polak waarin hij opnieuw de ontruiming uitstelt. In deze persverklaring worden de eisen van de krakers in de Groote Keyser weergeven. Ook de mensen die getroffen zijn door de woningnood worden op een rij gezet. Het zijn onder andere 53.000 geregistreerd woningzoekenden, gedupeerde bejaarden en studenten die in ontstellende woningen gehuisvest zijn en woonbootbewoners.

‘Het woningbeleid dat gevoerd wordt ter belangenbehartiging van spekulanten en kapitaalkrachtigen moet NU afgelopen zijn’ aldus de krakers.

Deze eisen in de bron zijn informatie uit eerste hand, aangezien de kraakkrant door de krakers zelf is geschreven.

Op 24 januari wordt een anonieme woordvoerder van de krakers van de Groote Keyser geïnterviewd in een radioprogramma van de VARA. Hierin spreekt deze kraker, genaamd Kees, van een duidelijke strijd die erom gaat om panden bewoonbaar te maken voor een betaalbare prijs. Wanneer het korte interview eindigt met dat er vaak gesproken wordt van ‘voordringen’ terwijl dit aldus Kees niet het geval is: de woningnood zorgt ervoor dat er actie moet worden ondernomen. Dit komt tevens overeen met de informatie verschaft over het persbericht van 26 januari 1980. Hierin bevat eis 4 van de krakers de wens dat er goede en betaalbare woningen komen. De aankoop van de panden door de gemeente, wat grote winst betekent voor OGEM terwijl dit betaald wordt van belastinggeld, zien de krakers niet als juiste oplossing. Deze eisen worden niet alleen ondertekent door de krakers van de Groote Keyser, maar tevens van alle gezamenlijke kraakgroepen van Amsterdam.

Wat interessant is aan de naam die de kraak op de Keizersgracht heeft gekregen, namelijk de Groote Keyser, is dat deze naam weinig terugkomt in binnen de geschiedschrijving. Door Eric Duivenvoorden zal deze bron gebruikt kunnen zijn om de heldhaftige en professionele kant van de kraakbeweging te tonen in zijn boek Een voet tussen de deur. Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999. In Van Concordia tot Lucky Luyk: 31 voorbeelden van gemeentelijk woningbeheer in Amsterdam, maken Lucas Delfgaauw en Dolf Overwater alleen gebruik van de bronnen rondom De Groote Keyser om zo een beeld te creëren van hoeveel Amsterdamse panden gekraakt zijn. Dit is weinig aangezien de bron veel informatie te bieden heeft voor historisch onderzoek. Zo is er op de laatste paginaruimte vrij gemaakt waar een vrouw van de kraakbeweging spreekt over vrouwenrechten. Dit is niet geheel vreemd, aangezien Amsterdam veel hervormingsbewegingen kent zoals de Dolle mina, meent historicus Duco Hellema in zijn boek Nederland en de jaren zeventig.

Ondanks het relatief weinig gebruik van historici, is de bron wel intensief terug te vinden in het radio-fragment van de VARA. Zo spreekt de geïnterviewde kraker Kees zelf over de kraakkrant en het persbericht van 23 januari wat de krakers in de kraakkrant hebben vrijgegeven. In het radiofragment beweert kraker Kees dat de gemeente en in het bijzonder burgemeester Polak het probleem waar Amsterdam mee te kampen heeft onderschat. Zo probeert burgemeester Polak de woningen aan te kopen maar zal dit met het geld van de belasting betaald worden. Hier is kraker Kees het niet mee eens, de woningen moeten niet aangekocht worden maar gelijk leefbaarder gemaakt worden. Na 7 minuten wordt het gesprek met kraker Kees beëindigt en komt er via de telefoon een oudere man aan de telefoon. Deze man wordt geïnterviewd over wat hij vindt kraakbeweging. De oudere man beweert het eens te zijn met de krakers. Hij vindt inbreken en dan in een woning blijven wonen niet netjes maar de schuld hiervan ligt bij de gemeente die het probleem niet wil oplossen.

Concluderend zorgen propaganda en media allereerst voor bekendheid. Zo kan de kraakbeweging aandacht trekken van de gemeente doordat er over hun geschreven wordt door de gevestigde media. Deze bekendheid geeft de krakers een mogelijkheid om problemen aan de kaak te stellen en verandering op te eisen. Ten tweede geven de eigen media, zoals de kraakkrant of de piratenzender, de krakers de ruimte hun eigen verhaal te vertellen en mensen een hun te binden. Wanneer meer mensen steun betuigen aan de kraakbeweging is er een grotere kans dat de doelen die de krakers stellen, bereikt kunnen worden. Tot slot zijn deze platformen van belang voor historisch onderzoek aangezien ze, ondanks de eventuele subjectiviteit van de maker van de bron, een stem geven aan de krakers. Op deze manier kunnen primaire bronnen zoals een kraakkrant of radiofragmenten gebruikt worden voor de historiografie door ze in een ontwikkeling te plaatsen. Zo beweert historicus James Kennedy dat er sprake is van democratisering rondom de jaren zeventig en dat politici hierdoor meer concessies doen. Deze gewaarwording kan onderbouwt door middel van Kraakkrant: De Groote Keyser aangezien hieruit blijkt dat er concessies gedaan worden omtrent de ontruimingsdatum en de gemeente bereid is in gesprek te gaan met de kraakbeweging.

 

Conclusie

Allereerst is vast te stellen dat bronnen lastiger te beoordelen zijn zonder kennis over de auteur. Dit is een valkuil van de historicus en het is hierom uiterst belangrijk om de bron desondanks zo objectief mogelijk te beoordelen. De plek waar de bron tot stand is gekomen en de gebeurtenissen die hier plaats vonden zijn van belang goed te onderzoeken om vooralsnog een brede context te schetsen waarin de bron geschreven is. Zo kan tevens de motivatie van de schrijver(s) achterhaald worden. Ook het publiek waarvoor de bron geschreven is, geeft een genuanceerd beeld. Al deze vragen kunnen gesteld worden aan de ‘Kraakkrant: De Groote Keyser is overal’ en haar artikelen.

Ten tweede is het opvallend dat ondanks de strijdlustigheid die de krant uitstraalt, er ook veel ruimte besteed wordt aan uitspraken van de gemeente en deze niet gelijk in een kwaad daglicht worden geplaatst. De krakersbeweging hebben zelf hun eigen krant en piratenzender opgezet, om zo een breder publiek te bereiken en hen de problemen te tonen waar de stad mee te kampen had. Dit gebruik van propaganda heeft concluderend gezorgd voor een grotere bewustwording onder de stadsbewoners. Ook boden deze platformen de kans om een onderbelichte kant van de krakersbeweging te tonen. Deze bron leert ons dan ook de professionaliteit onder de kraakbeweging, een kant van het verhaal van de kraakbeweging die weinig aandacht kent in de historiografie.

Tot slot kan een groter historisch onderzoek naar mijn mening een bijdrage leveren aan de bestaande historische kennis over de Nederlandse kraakbeweging. Zo is het mogelijk een genuanceerder beeld te geven over hoe krakers aan kennis kwamen om een professionele kraakkrant en piratenzender op te richten. Met meer bronnen en meer tijd zou een intensiever onderzoek naar de schrijvers van de bronnen kunnen zorgen voor nieuwe informatie, bijvoorbeeld over de milieus waar meeste krakers uit kwamen. Dit kan stereotypes omtrent krakers, zoals hippie of witte boze man, ontkrachten. Desondanks zou dit onderzoek zich ook moeten baseren op documentatie uit andere hoeken, zoals van niet krakende bewoners van Amsterdam en van de gemeente. Concluderend heeft de media verschillende functies zoals het geven van informatie rondom gebeurtenissen als wel het activeren van de lezer of luisteraar. Ook de bewustwording van de bewoners van Amsterdam is hierbij niet onbelangrijk. Tot slot zorgt de media er tevens voor dat grotere problemen op de agenda van de gemeente kunnen komen. Ondanks dat niet alle eisen van de kraakbeweging ingewilligd zijn, zijn er wel degelijk doelen bereikt.

Een bronanalyse geschreven door Renée Posthumus Meyjes, in opdracht van deUniversiteit van Amsterdam bij het vak 'geschiedenislab 2' onder docent-
schap van Tim Verlaan.
De primaire bronnen voor dit onderzoek zijn de Kraakkrant: De Groote 
Keyser is overal zoals te zien op de afbeeldingen en tevens een radio-fragment van de VARA uit het archief van het Internationale Instituut voor 
Sociale Geschiedenis: http://www.iisg.nl/staatsarchief/audiocollecties/mp3/audio-1980/gc10-938a.mp3.

Wij gaan er niet uit!

Sofia Melis

11293381

Wij gaan er niet uit!

Op 1 november 1978 werd het voormalige kantoor van de Technische Unie op de keizersgracht gekraakt en omgebouwd tot woongelegenheid. Vrijwel direct ontstond er een verharding van het conflict tussen de krakers en gemeente. De kraakbeweging was namelijk al ruim een decennium gefrustreerd over het scheeflopende overheidsbeleid betreft woningnood en speculatie. In het najaar van 1979 radicaliseerde dit duel. De Groote Keijser was verbouwd tot een stalen bunker om ontruiming te voorkomen. Leuzen als ‘wij gaan er niet uit’ en ‘de Groote Keijser is overal’ waren overal in Amsterdam te zien. De media stortte zich op de situatie en de krakers lieten zich met bivakmuts op interviewen in de munitiekamer van de Grote Keijser. Gasflessen, olievaten en ontplofbare aardappels stonden hier gereed voor het duel.  Hoe ondernamen de krakers dit verzet? Wat was de rolverdeling? Welke uitwerking had het verzet op de samenleving in de Groote Keijser? Dit zijn voorbeelden van vragen die centraal staan in deze bronanalyse om het organisatorische aspect van het verzet te belichten. Dit zal gebeuren aan de hand van mededelingenborden van de Groote Keijser, afkomstig uit het International Institute of social history, oftewel het IISG.

Bij het vak geschiedenis is het belangrijk dat je een bronnencorpus kiest en erover nadenkt welke kennis je hieruit verwacht te halen. Historici zijn geneigd om archiefonderzoek te doen en elke voetnoot vast te leggen. Volgens Simon Gunn is het echter veel belangrijker dat je expliciet bent over de onderzoeksmethode die je hanteert bij het analyseren van een bron.  Beginnende met een tekstuele analyse volgens de methode van Catherine Belsey, namelijk de bron bekijken zonder oordelen erop af te laten en te contextualiseren. Het wezenlijke uiterlijk van de bron staat op nummer één, daarna de bijbehorende literatuur en voorkennis.

“Mededelingenborden van de Groote Keijser, juli/augustus 1980”. Deze zin staat genoteerd op het bruine omhulsel van de bronnen. De mededelingenborden zijn gemaakt op groengele reclameposters voor een waterboiler van het merk Versugaz. Linksboven is een symbool met de letters TU te zien. Op de witte achterkant staan mededelingen genoteerd door middel van rode stift of ander schrijfgerei. De notificaties betreffen boodschappenlijstjes, roosters en aankondigingen voor bewonersvergaderingen. We hebben te maken met een geschreven, onbewuste bron. Onbewust omdat de mededelingen niet zijn geschreven met het doel om geschiedenis te schrijven. Dit op een rijtje hebbende is het tijd om er betekenis aan te geven door middel van voorkennis en literatuur.

Wanneer begin 1978 het kantoorpand van de Technische Unie op de keizersgracht naar Amstelveen verhuisde pakten de krakers hun kans. Het zestal panden werd omgebouwd tot huisvesting met het doel de woningnood hoger op de politieke agenda te zetten. De Technische Unie heeft met de verhuizing echter niet al haar bezittingen meegenomen. De groengele reclameposters van het merk Versugaz zijn van de unie geweest, te zien aan hun symbool “TU” linksboven op het blad. In het kader van duurzaamheid hebben de krakers de posters de functie mededelingenborden gegeven. Wie verantwoordelijk voor de totstandkoming van de mededelingen is is onduidelijk. De maker of eventuele makers van de bron zijn anoniem. De notificaties zijn niet ondertekend met een naam of een identificeerbaar krabbeltje. Wel is het constateerbaar dat de auteur een bewoner van de Groote Keijser in juli en/of augustus 1980 is geweest.

“Woensdagavond, 20.00, een souterrain vergadering”, deze woorden staan met rode stift groot op de achterkant van een Versugaz reclameposter gekalkt.  In de desbetreffende vergadering zullen de barricadering en voorbereidingen voor het verzet besproken worden. Ook staat er op de poster vermeld dat er een koffiebar aanwezig gaat zijn. “Vanmiddag, 5 uur, bewonersvergadering”, deze woorden zijn ook met rode stift genoteerd in het zelfde handschrift als de bovenstaande mededeling.  In de bewonersvergadering zal de motivatie van de bewoners aan bot komen, mocht die niet goed zijn zijn ze geacht te vertrekken. De inhoud van deze tekst verhult een aantal dingen. Ten eerste dat de vergaderingen zeer serieus genomen worden. De hoofdgedachte van de vergadering is a priori vastgesteld en er kunnen eventuele diskwalificaties plaatsvinden. Ten tweede wordt de vergadering gebruikt als gelegenheid om het verzet te coördineren. Dat de punten ‘barricadering’ en ‘voorbereidingen’ op de poster genoteerd staan  maken duidelijk dat het verzet goed doordacht was. De krakersrellen zijn niet ontwaakt in een momentopname als respons op de mobiele eenheid. In wezen zat er een heel systeem achter. Volgens Bart van der Steen, deskundige op het gebied van sociale geschiedenis, waren het tevens de krakersrellen die ervoor zorgden dat de centrale overheid op grote schaal fondsen ter beschikking stelde voor de renovatie en nieuwbouw van huizen.  Zonder het bolwerken van het verzet door middel van bewonersvergadering hadden de rellen wellicht nooit zo’n impact gehad. Ten derde was er noodzaak voor het houden van een vergadering. Die middag om vijf uur moest er eentje plaatsvinden. Wat de aanleiding hiervoor was is niet vast te stellen maar het is wel duidelijk dat er direct actie werd ondernomen.

 

“Onduidelijkheid voorkomen, mensen die hier niet wonen of  komen werken verzoeken weg te gaan”.  Dit is een andere mededeling. De hoofdbewoners hadden een politiek doel en zaten niet te wachten op free-riders die van gratis onderdak genoten zonder hun steentje bij te dragen. Mensen die deze politieke motieven niet deelden en in het pand bleven hangen zonder arbeid te verrichten werden dus verzocht om te vertrekken. Deze boodschap sluit bovendien aan bij het inspecteren van de motivatie tijdens de bewonersvergadering. Duidelijk maken deze mededelingen dat wanneer je niet in de Groote Keijser woonde of werkte mocht verdwijnen. Woonde of werkte je wel in de Groote Keijser maar had je hier geen geldige motivatie voor mocht je desgelijks vertrekken.

“HOOG nodig: Tenminste 10 ijzeren platen, 20 houten schotten, 1 gasfles bruine, steigerpijpen, hekwerk, prikkeldraad! …”.  Dit is een gedeelte van een andere mededeling in de vorm van een boodschappenlijstje. Uit deze mededeling is af te lezen dat het communaal leven in de Groote Keijser goed georganiseerd was. De aanschaf van verzetsattributen was blijkbaar van groot belang wat aantoont dat  in juli en augustus de bedreiging van de politiemacht flink was. Ook is er op een andere poster een rooster te vinden voor de lasploeg.  Hierop is te lezen dat op bijvoorbeeld maandag de bijgenaamde Norbert, Vi en Gi om 12.00 het dak moesten gaan lassen. De mensen van buitenaf zagen de Groote Keijser bij wijze van spreken als een stalen bunker. De rolverdeling voor het halen van dit doel was echter systematisch vastgelegd via bijvoorbeeld een lasrooster.

Ondanks het anonieme karakter van de bronnen doet de auteur als een invloedrijke bewoner aan. Deze bewoner bepaalde namelijk welke boodschappen voor het verzet gehaald moesten worden, stelde het lasrooster vast en bepaalde wanneer de bewonersvergaderingen plaatsvonden. De maker had door middel van de mededelingen belang bij het organiseren van de samenleving in de Groote Keijser. De prioriteit lag hierbij bij het verzet zo vlot mogelijk te laten verlopen. Het organiseren van bewonersvergaderingen en het opstellen van lasroosters droeg bij aan het behalen van dit doel. Ten tweede achtte de maker het belangrijk onduidelijkheid te voorkomen. Om dit te bewerkstelligen moesten de bewoners hun motivatie delen op de bewonersvergadering. Tegenwoordig is de samenleving digitaal georganiseerd, maar toentertijd was het niet mogelijk om een mededelende WhatsApp of mail te sturen. Mede door deze reden zijn de mededelingen hoogstwaarschijnlijk op deze manier tot stand gekomen.

De maatschappelijke houding van de auteur en diens relatie tot de geschreven inhoud is niet exact vast te stellen. Het is echter wel mogelijk een beeld te schetsen van de eventuele maker aan de had van al bestaande informatie. Het is bekend dat de krakers omtrent 1980 politieke motieven hadden voor het bezetten van leegstaande panden. Het naar hun mening doortrapte overheidsbeleid betreft woningnood en gebrek aan jongerenhuisvesting moest een hoog plekje op de politieke agenda krijgen. Door middel van actief verzet te plegen door het kraken zelf en het bevechten van ontruiming probeerden ze dit doel te bereiken.  Het is mogelijk dat de auteur van de bron een activistische aard had. Dit kan ook blijken uit het feit dat er op het boodschappenlijstje gasflessen, prikkeldraad en ijzeren platen zijn te vinden. De auteur van de bronnen was duidelijk op een strijd met de overheid uit. De auteur maakte al met al deel uit van een tegenbeweging.

Ongeacht de activistische aard van de maker was de doelgroep van de bron geen enerverend publiek als de politiek of politie maar simpelweg de mede-bewoners. Via de mededelingen konden de inwonenden vernemen dat de bewonersvergadering zich om die tijd plaatsvond of dat tenminste twintig houten schotten zeer nodig waren. De mede-bewoners worden op verschillende manieren aangesproken. Dat kan zijn in de vorm van een algemene mededeling, anderzijds door het gebruik van hun kamernummer of de voornaam. In wezen schrijft de auteur niet om belangen te behartigen maar om mededelingen te doen. Of de mede-bewoners gediend zijn rekening te houden met de notificaties is niet vast te stellen. Krakers strijden voor een vrij bestaan, ook wel een anarchie. Een medebewoner iets kon opdragen sluit niet aan bij dit beeld.  De boodschappenlijst kan ook als geheugensteuntje dienen met de boodschap: ‘hou je ogen open’. Wanneer een medebewoner bijvoorbeeld houten schotten tegen het lijf loopt is hij of zij herinnerd deze mee te nemen.

Hoe de bron zich tot de historiografie weerhoudt is eveneens moeilijk vast te stellen. De biografie van de bron en in welke contexten deze in de loop der tijd is gebruikt valt niet te achterhalen. Maar doordat de bron een kijkje op het organisatorische aspect van de samenleving in de Groote Keijser is kan de verhouding tot de historiografie wel worden nagegaan. Hoe schetst de literatuur het verzet van de krakers? Welke verschillende beschrijvingen over die periodiek zijn er te vinden? Op welke manier past de bron bij deze beelden? Met andere woorden: welke aspecten in de literatuur komen overeen met de gedachte van de bron.

De jaren zeventig staan over het algemeen bekend als een periode van scherpe meningsverschillen en emotionele debatten. Over deze enerverende tijd is veel literatuur gepubliceerd. Volgens Duco Hellema, auteur van het artikel De lange jaren zeventig, zijn er drie contrasterende beelden over dit tijdvak in de literatuur te vinden: een neoliberale tijd, een ik-tijdperk en een rood, radicaal tijdvak.  Deze bronnen sluiten het meest aan bij het rode, radicale tijvak. De boodschappenlijstjes met verzetsattributen zouden bijvoorbeeld niet tot stand zijn gekomen als de verhouding tussen de krakers en de overheid niet was geradicaliseerd. Waar eind jaren zestig nog ontruimingen plaatsvonden waar zowel de gemeente als krakers achter stonden, waren de bewoners van de Groote Keijser vastberaden het pand niet te verlaten.  Om dit te bereiken werd alles op alles gezet. Door middel van attributen op de boodschappenlijst als houten schotten en prikkeldraad konden de bewoners de panden zwaar barricaderen. Deze vastberadenheid van de bewoners deed burgemeester Polak twijfelen het pand te ontruimen uit angst voor dodelijke slachtoffers. Deze situatie schetst de radicalisering van dit tijdvak wel degelijk.

Bart van der Steen, deskundige op het gebied van sociale geschiedenis, heet een artikel geschreven over de kraakbeweging en haar geschiedschrijving. Hij stelt een luwte in het radicaal activisme te hebben ondervonden aan het einde van de jaren zeventig waardoor de krakersrellen verbijstering opriepen.  Aan de hand van een voorbeeld uit het boek Een voet tussen de deur van Eric Duivenvoorden, benoemt Steen in zijn artikel dat de krakersbeweging door de jaren zeventig heen steeds verder groeide en militanter werd.  Ook dit is goed af te lezen in de bron. Het ‘geen-geweld’ protocol dat aan het begin van de krakersbeweging gold was als sneeuw voor de zon verdwenen. Deze strijdlustigheid werd ten eerste aangewakkerd door de blinde vlek aan de kant van de overheid. Vanaf het begin van de jaren zestig was het kraken een openlijk protest tegen woningnood. Dat hier echter aan het einde van de jaren zeventig nog steeds geen oplossing voor was zorgde dat de kraakbeweging groeide. Niet alleen in omvang maar ook in verzet. Ten tweede zorgde de media-aandacht er ook voor dat het fenomeen buitenparlementaire actie een hoge vlucht nam.  Door deze factoren was het mogelijk voor de krakersbeweging hun samenleving en het verzet te organiseren. Deze organisatie vond dus plaats aan de hand van lasroosters en bewonersvergaderingen.

“Laat het duidelijk zijn: neem helm, stok en molotovs mee! De ontwikkeling van de kraakbeweging tot radicale beweging”.  Dit citaat is afkomstig uit het boek tussen verbeelding en macht dat diep ingaat op de geschiedenis van actiebewegingen midden jaren zestig tot het begin van de jaren negentig. Aan de kraakbeweging is een hoofdstuk gewijd waar ook de radicalisering ervan aan bot komt. De bewoners van de Groote Keijser waren bereid het gevecht aan te gaan met de politie. Alleen op die manier gingen ze voor hun gevoel ook het gevecht aan met het scheve overheidsbeleid. De gevolgen van dit verzet waren tevens snel zichtbaar. De buitenwereld, en daarmee ook de politiek en politie, zag de dichtgelaste ramen en deuren. ‘Wij gaan er niet uit’ was de strijdspreuk van de krakers.

Al met al is in de historiografie over de krakersbewegingen te lezen dat deze aan het einde van de jaren zeventig radicaliseerde als gevolg van frustratie en media-aandacht. Door middel van de bronnen is het voor mij mogelijk om achter deze façade te gaan staan en deze radicalisering van de organisatorische kant te belichten. Voor de buitenwereld was het alleen zichtbaar dat alle ramen en deuren waren dichtgelast. Door de mededelingenborden is het echter duidelijk geworden dat hier roosters en bewonersvergadering aan ten grondslag lagen, een corvee als het ware. De massa ziet alleen de krakersrellen, maar aan de hand van de bron is het duidelijk geworden dat hier een heel systeem achter zit. Mocht de mobiele eenheid aanvallen wisten de krakers op welke hoek of brug ze zicht moesten bevinden om de aanvallen te hinderen. De krakersbeweging was geen opgejutte bende. Sterker nog, ze wisten donders goed waar ze mee bezig waren.

Mocht er een vervolgonderzoek komen over het organisatorische aspect van het krakersverzet zou ik meerdere krakersrellen onderzoeken afkomstig uit de Staatsliedenbuurt of dezelfde periode. Wat zijn de overeenkomsten en de verschillen? Werd het verzet bij andere gevallen in de Staatsliedenbuurt ook via een vergelijkbaar systeem georganiseerd? Waren er vergelijkbare sleutelrollen? Is er een verband tussen de conflicten te vinden? Komt de aanleiding overeen? Dit soort vragen zouden centraal kunnen staan bij een vervolgonderzoek. Als er geen bronnen zijn achtergelaten in de vorm van huishoudelijke mededelingen en roosters is het mogelijk om gebruik te maken van orale bronnen zoals interviews. Naderhand kan je je afvragen welke bronnen betrouwbaarder zijn: een huishoudelijke mededeling afstammend uit de onderzochte periode of een getuige die zijn verhaal bijna twintig jaar later doet? Deze aspecten lijken mij interessant om te behandelen in een vervolgonderzoek.

Al met al belicht de bron het organisatorische aspect van het verzet vanuit de Groote Keijser. De paar zinnen die op de vellen staan genoteerd functioneren als een kijkje naar binnen. Duidelijk is geworden dat het verzet georganiseerd is aan de hand van bewonersvergaderingen, lasploegen en boodschappenlijstjes. Wie de krakers een opgejutte bende wegens de politie vond kan aan de hand van de bronnen zien dat zij systematisch en doorgedacht te werk gingen. Anderzijds bevestigen de bronnen ook een beeld dat in de literatuur wordt geschetst, namelijk de radicalisering van de beweging aan het einde van de jaren zeventig. Dankzij de blinde vlek en passieve houding van de overheid tegenover de woningnood en speculatie groeide de militante houding aan de kant van de krakers. Ook de media-oproer zorgde voor het opschroeven van de situatie. ‘Wij gaan er niet uit’ luidde de wapenkreet van de bewoners en er werd alles aan gedaan om hun politieke doel te bewerkstelligen.

Literatuurlijst

B. van der Steen, ‘De papieren van de revolte: De kraakbeweging en haar geschiedschrijving’, in: Tijdschrift voor Stadsgeschiedenis 9, nr. 2 (2014).

C. Belsey, ‘Textual analysis as a research method in English studies’, in: G. Griffin, Research methods for English studies (Edinburgh 2013).

D. Hellema, ‘De lange jaren zeventig’, in: Tijdschrift voor Geschiedenis 123, nr. 1 (2010).

E. Duivenvoorden, Een voet tussen de deur: Geschiedenis van de kraakbeweging 1964-1999 (Amsterdam 2000).

J. Duyvendak, Tussen verbeelding en macht: 25 jaar nieuwe sociale bewegingen in Nederland (Amsterdam 1922).

S. Gunn en L. Faire, ‘Introduction: Why bother with method?’, in: Ibidem, Research methods for history (Edinburgh 2012).

 

Sofia Melis

11293381

De mensen achter de koevoet: bronnenanalyse van het Amsterdams Weekblad (1972-1973)

Inleiding

Het Amsterdams Weekblad was een nieuwsblad uit de vroege jaren zeventig, waarin lokale vrijwilligers zich inzetten om hun stem te laten horen over onderwerpen die het bloed onder hun nagels vandaan haalde. Het blad had nauwe banden met de kraakbeweging, die aan het opkomen was toen het blad werd opgericht. De komende tekst exploreert de historische context om het blad heen. Het kijkt naar wie de mensen achter het blad waren en waar zij naar streefden. Daarnaast wordt besproken welke ideologie achter het blad schuilde. Tot slot kijkt het artikel naar wat het blad kan betekenen voor historisch onderzoek naar de kraakbeweging.


Historische context

Vanaf de Tweede Wereldoorlog scheurden de Nederlandse burgers zich los van hun haast onvoorwaardelijke vertrouwen in de overheid. Terwijl zij voor de oorlog nog trouw achter hun paternalistische staat stonden, werd haar bekwaamheid half jaren zestig massaal in twijfel getrokken. In Amsterdam vonden er dramatische conflicten plaats, tussen burgers en het gezag. De meest baanbrekende gebeurtenissen waren de rellen van 13 en 14 juni 1966. Deze rellen, waarbij 65 mensen gewond raakten, maakten een grote inbreuk op het overheidsgezag. De politie had namelijk, volgens velen onterecht, hardhandig ingegrepen. Dit zou geleid hebben tot de dood van een van de aanwezige arbeiders. Conflicten zoals deze, maakten destijds grote indruk. Historicus Jacco Pekelder, omschreef de jaren zestig als een ‘culturele revolutie.’ Hierin gingen mensen anders nadenken over onderwerpen, zoals het gezag van overheid en politie. Deze revolutie drong, aldus Pekelder, in de jaren zeventig het hele land door. Het politieke engagement van burgers nam enorm toe. Zo ook in Amsterdam, waar burger zich kritischer gingen opstellen tegenover het gemeentelijk bestuur. De behoefde aan beleidshervormingen groeide sterk. Begin jaren zeventig heerste er overigens een hervormingsgezindheid over vrijwel heel West-Europa. Er kwamen groepen en bewegingen op die aandacht vroegen voor sociaal-politieke problemen, en maatregelen van de overheid eisten. De vrouwenbeweging Dolle Mina is hier slechts een voorbeeld van. In linkse kringen was er tegelijkertijd een zeker wantrouwen tegenover de overheid aanwezig. Dit is duidelijk terug te zien in de kraakbeweging. Vanaf 1967 werd het kraken in Amsterdam ingezet als een actiemiddel tegen de grootschalige stadsvernieuwing en de woningnood. Vele inwoners hadden kritiek op het feit dat oude goedkope woningen vervangen moesten worden door duurdere panden, zoals kantoorgebouwen. De groeiende onvrede over de woningnood, leidde tot de opkomst van krakers. In tegenstelling tot de jaren tachtig, waarin de kraakbeweging haar eigen dynamiek ontwikkelde, was de beweging in de jaren zeventig nauw verbonden met buurt- en actiegroepen en andere sociale bewegingen. Zij deelden immers een gemeenschappelijke vijand: de overheid.

De mensen achter het papier

Het Amsterdams Weekblad was een van de sociale bewegingen die met de kraakbeweging in contact stond. Het was tijdens de bovenstaande ontwikkelingen werd opgericht. De oprichtingsakte dateerde uit de zomer van 1972. Omstreeks 1970 was het stadsbestuur begonnen met haar controversiële stadsvernieuwing. Dat jaar werd de aanleg van de metro-oostlijn bijvoorbeeld goedgekeurd door de gemeenteraad. De redactie van het Amsterdams Weekblad was gevestigd in de Keizersstraat in Amsterdam. Het blad werd door zijn makers verspreid door de hele stad. Het werd voornamelijk aangeboden aan mogelijke wederverkopers, zoals sigarenwinkels, boekwinkels of koffiehuizen. In de oprichtingsakte stond dat dergelijke wederverkopers zich zoal bevonden in de Indische buurt, de Oude binnenstad, de Museumbuurt en de Pijp.
De schrijvers waren geen beroepsjournalisten, maar vrijwilligers. In de oprichtingsakte noemen zij zichzelf, ‘gewone krantenlezers.
’ De meeste van hen waren jonge mensen, tussen de 25 en 35 jaar. Zo was tekenaar Albert Blitz 34 jaar en tekenaar Tjebbe van Tijen 28. Vele makers hadden banden met sociale bewegingen in Amsterdam. Het ging om losse organisaties, zoals Provo, Woningburo de Kraker, aktiegroep De Lastige Amsterdammer en Aktiegroep Nieuwmarkt. Van Tijen, had bijvoorbeeld tekeningen gemaakt voor de kraakhandleiding van Provo. Ook de drukpers was in handen van twee mensen die deel waren geweest van de Provobeweging. Dit waren Rob Stol en Lou van Nimwegen. Zij hadden eerder meegewerkt aan de krant Geïllustreerd Bethaniënnieuws. Deze krant werd door historicus Eric Duivenvoorden omschreven als een stedelijke kraakkrant. Rob Stolk had een tijd in de gevangenis besteed voor zijn kraakacties. De betrokkenheid van de makers bij sociale actiebewegingen, verklaart waarom het blad in nauw contact stond met buurt- en actiegroepen. In nummers van het Amsterdams Weekblad, zijn af en toe stukken van dergelijke organisaties te vinden. Zo is er een van Aktiegroep Nieuwmarkt, in nummer zeventien. Aktiegroep Nieuwmarkt kreeg twee pagina’s in het blad, om woningzoekenden op te roepen om zich te vestigen in de Nieuwmarktbuurt. In 1972 stond de buurt in het midden van de belangstelling van de Amsterdamse kraakbeweging. De gemeente was destijds van plan om een metrolijn te creëren, die de wijk Bijlmermeer zou verbinden aan de binnenstad. Gebouwen rondom deze metrolijn zouden moeten wijken, om plaats te maken voor kantoorgebouwen. Het gevolg van deze vooruitzichten, was dat er panden werden gekraakt. Het Amsterdams Weekblad stond achter de krakers. De advertentie van Aktiegroep Nieuwmarkt, is hier een goed voorbeeld van. Maar het weekblad beperkte zich niet tot het pleiten van steun. Krakers konden namelijk ook praktische informatie in het blad vinden. Dit gebeurde onder andere in het negende nummer. Hierin werden de krakers gewaarschuwd voor enquêtes die het Criminologisch Instituut van Amsterdam hield in de stad. De krakers werden verzocht om hier niet aan mee te werken, omdat de gegevens gebruikt konden worden door het Ministerie van Justitie, die een nieuwe wetgeving aan het voorbereiden was om voor een strafbepaling voor krakers te zorgen.

Intenties   

Het Amsterdams Weekblad bleek dus zeer betrokken bij lokale ontwikkelingen. Sterker nog, de oprichting was er aan te danken. In de oprichtingsakte werd hier niet omheen gedraaid. In deze akte staat dat de makers haar lezers wilden informeren over lokale problemen, waardoor zij zich machteloos, bedrogen en uitgebuit voelden. De problemen die zij noemden, waren onder andere de woningsituatie en het stadsbestuur. Hoewel dit vrij vage beschrijvingen zijn, maakt het blad zelf duidelijk wat ermee bedoeld werd. Zo werden er stukken geplaatst over het toenemende aantal woningen dat ontruimd werd, om plaats te maken voor kantoorpanden. En de incompetentie van het stadsbestuur om burgers te beschermen tegen de plannen van bouwbedrijven. Naast de lezers informeren, wilden de makers steun bieden aan inwoners die zich verzetten tegen het stadsbestuur. Door hen in het licht te zetten, wilden zij hen, zichzelf en de lezers een hart onder de riem steken. Het blad moest voor hen dienen als een schriftelijke ontmoetingsplaats. Ook wilden de makers met het blad hun stem laten horen, omdat zij zich niet vertegenwoordigd voelden in grotere nieuwsbladen, zoals het Parool. Door burgers bewust te maken van lokale problemen, hoopten zij dat zij er samen verandering in konden brengen.
Bij het inzien van het blad, wordt het al snel duidelijk dat de intenties van de makers verder gaan dan enkel het informeren van lezers. Het blad lijkt geschreven te zijn om de burgers te activeren. Als actieblad voor de gewone burger, hanteerde het activerend en populistisch taalgebruik. Het activerende taalgebruik blijkt bijvoorbeeld uit een oproep in het nummer van 8 juli 1917, waarin mensen werden opgedragen om elke maandag de fluorwaterkranen open te zetten. Dit diende als protest tegen het stadsbestuur, die niet voldoende fluorideevrij drinkwater verschafte. In de oproep stond, ‘zet uit protest elke maandag al uw fluorideewaterkranen open. Vraag ook uw vrienden en bekenden de kranen van de waterleiding op maandag open te draaien.’ De schrijvers kozen er niet voor om burgers te verzoeken of aan te raden om de kranen aan te zetten. Hier werden woorden gebruikt die direct en bevelend waren. Ondanks de korte lengte van deze oproep, komt hierin ook het populistische taalgebruik naar voren. Er staat namelijk, ‘de gemeenteraad en de regering blijken voor de zoveelste keer geen rekening te houden met de wensen van het volk.’ Uit deze zin blijkt wantrouwen jegens de gevestigde orde. Daarnaast zijn er simpele worden gebruikt, die een gewone burger waarschijnlijk meer zouden aanspreken dan de hoogopgeleide elite. Ook claimt het blad hiermee dat de schrijvers wel luisteren naar de wensen van het volk. Zij pleitten immers voor een protest tegen fluoride in het drinkwater. Het blad presenteert zich als een organisatie die voor het volk opkomt.  Hetzelfde gebeurde in nummer zeventien, waarbij er in een artikel stond, ‘WIJ LEVEN IN EEN DEMOKRATIE??? Nog lang niet.’ Ook in dit voorbeeld gebruikt het blad simpele woorden, om haar frustraties over de gevestigde orde te uiten. In het stuk waarin de woorden stonden, verzette het blad zich tegen de bouw van een toren in de Wibautstraat, waarvoor er panden ontruimd moesten worden. Het kwam opnieuw op voor de belangen van de burgers.

In het hoofd van het Amsterdams Weekblad

De makers verzamelden hun informatie door zelf door de stad te trekken en met mensen te praten. Daarnaast maakten zij gebruik van hun connecties met buurt- en actiegroepen in de stad. Dit komt in verschillende nummers naar voren. Zo had het blad in het elfde nummer contact met Aktiegroep de ‘Sterke Arm’ om aan informatie te komen over een criminologisch onderzoek. In een ander nummer wordt er samengewerkt met een bewoonster van de Zwanenburgwal, om meer te weten te komen over het overheidsbeleid. De schrijvers waren zeer betrokken bij de onderwerpen waar zij over schreven. Niet alleen waren zij zelf inwoners van de stad, maar zij kwamen ook aan informatie door direct contact te zoeken met betrokkenen. Door zelf aanwezig te zijn in de stad, kwamen de schrijvers veelal in contact met gewone Amsterdamse burgers of kleine lieden. Het is dan ook logisch dat zij de meeste aandacht kregen. Naast de doelgroep van het blad, zijn zij namelijk ook haar voornaamste informatiebron. Het blad is in die zin voor en door de gewone Amsterdammer gemaakt. Het kwam voor haar op, en keerde zich tegen grote bedrijven, de overheid en de politiek. Dit is in vele stukken te merken. Er is veel aandacht voor het alledaagse leven van de arbeider. In het zevende nummer werden er meerdere pagina’s gewijd aan de metromedewerkers van Amsterdam. Het onderwerp was de slechte arbeidsomstandigheden van deze arbeiders, waaronder de onhandige werktijden. Maar het spotlicht werd niet slechts op het de arbeider gericht. Ook de actievoerder bleek een belangrijk onderwerp. In vrijwel elke uitgave komen er burgers in beeld die zich verzetten tegen bouwbedrijven of de overheid. In het blad van 30 juni 1973 ging de aandacht bijvoorbeeld naar mevrouw Metz, een bewoonster van de Zwanenburgwal. Mevrouw Mertz schreef een persoonlijke brief naar wethouder Han Lammers, waarin zij hen bekritiseerde voor zijn medewerking aan de ontruiming van haar straat.
Het blad maakte de noodzaak van mensen als Mevrouw Mertz duidelijk in elk nummer. De lezer werd hier aan herinnerd door middel van afbeeldingen. Opvallend is dat talloze afbeeldingen een dystopia tonen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het stripverhaal in vijfde nummer. Het stripverhaal bevindt zich in een toekomstig Amsterdam. De mensen wonen in enorme betonblokken, waar het zonlicht nauwelijks doorheen kan breken. De arbeidersklasse, aangeduid als de ‘kleine’ burger, is slaaf geworden van arbeid en consumptie. De consumptiecultuur wordt subtiel in beeld gebracht aan de hand van het merk Coca-Cola. Haar advertenties zijn te zien op de betonblokken, waar de mensen in wonen. Ironisch genoeg, biedt een bewoner zijn vrouw een blikje cola aan, terwijl zij gehypnotiseerd naar de televisie staart. Beiden zijn zich niet bewust van het dystopia waarin zij zich verkeren. Op gewetenloze wijze voeden zij de bedrijven die hen onderdrukken. De gewetenloosheid van deze ‘kleine burgers’ werd ook gevisualiseerd. Dit gebeurde door middel van een appachtig figuur met schele ogen. Het figuur dankt haar aapachtige karakter aan grote handen en oren. Ook steken zijn mond en neus naar voren in een peervormig uitsteeksel op het gezicht. De ‘kleine burger’ is geen intelligent persoon, maar een achterlijke aap. Een dier, die gecommandeerd wordt door de ‘grote burger.’ Deze is getekend als een achterdochtige man, met kleine ogen zonder pupillen, waardoor het figuur zielloos overkomt. De ‘grote burger’ bedient een computer, terwijl de ‘kleine burger’ er machteloos bij zit. De vijand is aan de macht. De boodschap was duidelijk. De burgers konden niet passief en onwetend blijven. Dit zou een dystopische wereld creëren, waarin de burgers slaven zijn van uitbuiting en consumptie. Levend in een slecht milieu, met grauwe buurten en weinig daglicht, zou de ‘kleine burger’ lijden, terwijl de ‘grote burger’ profiteert van haar onderdrukking. Om dit te voorkomen, konden Amsterdammers nog ingrijpen. Zij moesten hun medeburgers wakker schudden uit hun onwetendheid, en actie ondernemen. De bovengenoemde elementen, geven de illustraties een socialistisch karakter. Uiteraard was de tekenaar, Albert Blitz, een aanhanger van het socialisme. Het linkse karakter van het blad, was merkbaar in elk nummer. Zoals eerdergenoemd, werd er relatief veel aandacht besteed aan arbeiders en de slechte werkomstandigheden, waarin zij zich verkeerden. Uitbuiting van arbeiders was een veelvoorkomend thema in het blad. De titels van stukken over arbeiders, spreken boekdelen. In het elfde nummer stond er een artikel over arbeiders die op een begraafplaats werkten, genaamd ‘Produktiviteit tot in den Dood.’  Ook de illustraties vertonen socialistische kenmerken. Een afbeelding die in het negende nummer gebruikt wordt, toont overeenkomsten met het communistische symbool van de hamer en de sikkel. In deze illustratie is de sikkel vervangen door een koevoet. In een later nummer komt een soortgelijk symbool terug, waar de sikkel vervangen is door een zaag. Op de cover werden regelmatig plaatjes met een links karakter gedrukt. Op het negentiende nummer stond een dystopisch plaatje, waarin ambtenaren en politieagenten een burger met geweld een nieuwbouwwijk in jagen. Op het zevende nummer stond een overvolle metro, die bediend werd door een vermoeid uitziende bestuurder. Opnieuw een verwijzing naar slechte arbeidsomstandigheden, maar misschien ook naar het dystopische toekomstbeeld van Amsterdam. De illustraties en de activerende taal maken tevens duidelijk dat het weekblad een stedelijke sociale beweging was. Het streefde bewust naar stedelijke veranderingen, zoals het tegengaan van de woningnood.
Lang hield het Amsterdams Weekblad het niet vol. Een jaar na de oprichting van het blad, werd er een boekje gepubliceerd waarin de slechte financiële situatie werd besproken. Na een jaar, moesten de schrijvers de drukkosten omlaag brengen door pagina’s in een goedkopere stencilmethode uit te voeren. De lezers werden dringend om een bijdrage gevraagd. Vermoedelijk verbeterde de situatie niet, want in datzelfde jaar hield het blad op met bestaan.

Lessen van het blad

Het Amsterdams Weekblad is een waardevolle historische bron voor onderzoekers van de kraakbeweging. Allereerst legt het blad bloot welke gedachten de ronde deden in de (socialistische) kringen van Amsterdam in de vroege jaren zeventig. Het laat zien hoe ernstig de dreiging van de woningnood en stadsvernieuwing was voor inwoners. Dit helpt om historische context te creëren rondom de kraakbeweging.
Ten tweede geeft het blad precieze informatie over omstandigheden en gebeurtenissen in de stad. Daarbij moet wel gezegd worden dat er rekening gehouden moet worden met tekortkomingen. Zo is het niet altijd duidelijk hoe de krant aan informatie is gekomen. Sommige informatie zijn gehaald uit gespreken met burgers, waarvan de namen niet genoemd zijn. In die gevallen is het lastig te achterhalen of de informatie betrouwbaar is. Omdat de gebeurtenissen vanuit een socialistisch perspectief worden geïnterpreteerd, is het noodzakelijk om bronnen vanuit andere perspectieven te raadplegen. Overigens kan dit leiden tot een geheel nieuw onderzoek, over de verschillende manieren waarop dezelfde gebeurtenissen geïnterpreteerd worden door links en rechts.
Maar het blad is waardevoller voor onderzoekers die geïnteresseerd zijn in ideologische aspecten van de kraakbeweging, in plaats van harde feiten. Het blad laat namelijk zien welke ideologie aan de kraakbeweging ten grondslag ging. Het Amsterdams Weekblad werd uitgegeven toen de kraakbeweging een voorzichtige start aan het maken was.  Het vertelt ons veel over de overtuigingen van mensen in de periode waarin de kraakbeweging zich nog aan het ontwikkelen was. Het blad was immers nauw met de kraakbeweging verbonden. Aan de hand het blad, is het ook makkelijker om te achterhalen, hoe de gemiddelde Amsterdammer tegenover de krakers stond. De lezers waren immers niet allemaal krakers, maar de meesten hadden wel sympathie voor de krakers. In 1982 werd er in Amsterdam een onderzoek gedaan naar wat men van de kraakbeweging vond. Van de 179 ondervraagden, stond 72% positief en 23% negatief tegenover de beweging. Een grote meerderheid bleek kraken acceptabel te vinden. Het Amsterdams Weekblad laat zien waarom dit zo was. Later nam de steun voor de kraakbeweging af. Dit kwam volgens een groot deel van de ondervraagden vanwege het geweld die erbij kwam kijken. De rellen konden in het begin nog gezien worden als incidenten, maar naarmate zij vaker voorkwamen, begonnen Amsterdammers hun begrip te verliezen. Vele mensen bleken dus sympathie te hebben voor de ideeën achter de kraakbeweging. Onenigheid ging veelal over de strategie van de beweging.  In combinatie met andere nieuwsbladen en kranten, vormt het Amsterdams Weekblad ook een completer beeld van de politieke sfeer in Amsterdam als geheel.
In een groter historisch onderzoek kan het Amsterdams Weekblad bijdragen aan dialogen over sociale bewegingen in globaal perspectief. Als het blad vertaald wordt in het Engels, kunnen Nederlandse sociale bewegingen vergeleken worden op internationaal niveau. Aan de hand hiervan kunnen onderzoekers patronen zoeken in motieven en narratief. Of juist verschillen, die Nederlandse sociale bewegingen uniek maakten. Hiernaast past het in een mogelijk onderzoek naar een nieuwe vorm van verslaggeving, die zich tegelijk met de kraakbeweging ontwikkelde. Deze nieuwe vorm van verslaggeving was participerend. Er werkten mensen aan mee die zeer betrokken waren bij de onderwerpen waar zij over schreven. Deze mensen konden zich via het blad vinden en ondersteunen. Het zou interessant zijn om te kijken in welke vormen deze manier van verslaggeving nog meer voorkwam, buiten de kraakbeweging om. En te bestuderen welke invloed het heeft gehad op de journalistiek buiten de kraakbeweging om. Ook hierbij is het interessant om het onderwerp te benaderen vanuit internationaal perspectief.
Ondanks het feit dat het blad historici veel te bieden heeft, krijgt het weinig aandacht in het historisch onderzoek over de kraakbeweging. Er worden veelal grotere kranten geciteerd, zoals het Parool en de Groene Amsterdammer. Kleinere bladen krijgen minder aandacht. Boeken die informatie geven over hoe men over de kraakbeweging dacht, zijn geneigd om krakers of politici op de voorgrond te zetten. De gemiddelde Amsterdammer valt buiten beeld. Zo verdwijnen kleine bewegingen, zoals dit blad, naar de achtergrond. In mijn ogen is dit zonde, want het Amsterdams Weekblad biedt een waardevolle kijk in het hoofd van de rode Amsterdammer.


Conclusie

Het Amsterdams Weekblad werd opgericht als een reactie op het woningtekort en de stadsvernieuwingen. De makers waren socialistische vrijwilligers die gefrustreerd werden van het stadsbeleid. Zij hadden sterke connecties met sociale actiegroepen, zoals Provo. Hierdoor was het weekblad nauw met hen verbonden. Het blad diende als ontmoetingsplaats en spreekbuis voor de makers. Het was bedoeld om mensen te informeren, maar ook om hen te activeren. Om hierin te slagen, zette had blad populistisch en activistisch taalgebruik in. Op deze manier moest de gewone arbeider aangesproken worden. Deze vormde naast een belangrijke informatiebron, namelijk ook de voornaamste doelgroep. In elk nummer maakte de krant de noodzaak van sociale actie duidelijk. Dit gebeurde voornamelijk aan de hand van illustraties met een dystopisch karakter. Hieruit bleek dat de burger niet passief kon blijven, want dit zou lijden tot een toekomst van onderdrukking. Het blad leert ons meer over de Amsterdamse geest en sfeer in de jaren zeventig. Het geeft informatie over precieze gebeurtenissen, de ideologie van de kraakbeweging en hoe de burgers tegenover het kraken stonden. Uiteraard geldt dat hierbij meerdere bronnen gebruikt moeten worden, om een compleet beeld te vormen. In een groter historisch onderzoek kan het blad bijdragen aan onderzoeken over sociale bewegingen (in internationaal perspectief) en de nieuwe vorm van verslaggeving van de zeventiger jaren.

– Manon Samira Awad 


Literatuurlijst

  1. Albert Blitz, ‘Buitenwijken’ in Amsterdams Weekblad 5 (Amsterdam 1972).
  2. Kennedy, J.C. Nieuw Babylon in aanbouw: Nederland in de jaren zestig (Amsterdam 1995).
  3. Tijen, van T., The Limping Messenger, https://limpingmessenger.com/tag/amsterdam-weekblad-1972-1974/ (geraadpleegd op 25 januari 2018).